God

Mijn man en ik geloven in God. Eigenlijk al ons hele leven, en ook nu nog. Nu ons dit vreselijke leed is overkomen. Maar geloven is moeilijk in een tijd waarin je jezelf vooral veel vragen stelt. Waarin je niet begrijpt waarom dit jouw kindje moet overkomen. Waarin je radeloos van verdriet alleen maar boos kunt zijn op de wereld, en op de God die je eens zo lief had.

Toen ik deze blog begon heb ik geen pagina gemaakt voor God. Heb ik niets geschreven over Hem, of over hoe Hij ons nu nabij is. Dat komt omdat ik eigenlijk nog veel te boos ben op God. Op wat hij heeft gedaan, of wat hij heeft toegelaten. Want hoe werkt het nou eigenlijk? Die vraag dwaalt voortdurend door onze hoofden. Is God almachtig en kan Hij alles? In dat geval had hij onze Floris dus ook beter kunnen maken. Waarom heeft Hij dat dan niet gedaan? Waarom heeft Hij dan beslist dat het anders moest zijn…
Of is God niet bij machte om álles te controleren in het leven. Was het ziek zijn en het sterven van Floris iets dat aan Hem voorbij is gegaan? Heeft Hij wel geprobeerd om er iets aan te doen maar kon dat niet meer? Als dat zo is, dan rijzen er bij mij direct honderd andere vragen. Want ik geloof in een God die sterker is dan de duivel. Die alles kan en overal boven staat.
En daarom voel ik zoveel boosheid naar God. Want in mijn plaatje had God er iets aan kunnen doen. Had Hij Floris niet ziek hoeven te maken, of had Hij de artsen die Floris behandelden op tijd kunnen laten inzien dat het een probleem in de darmen was.
En als je het mij vraagt, dan komt het er op neer dat Hij dat niet gedaan heeft.
Waarom? Waarom? Waarom? Dat is een vraag die blijft, en tegelijkertijd een vraag waar we nooit een antwoord op zullen krijgen. Misschien als we zelf later sterven en in de Hemel zijn? zegt mijn man voorzichtig als we het er eens samen over hebben. Maar ik denk dat het dan, als wij zelf in de Hemel zijn, helemaal geen issue meer is. Dan is alles goed en volmaakt. Dan zijn er geen vragen meer waar wij een antwoord op verlangen.

Brengt me bij mijn volgende strijd.
Want hoe heeft Floris het nu? Ik ben er van overtuigd dat hij in de Hemel is, en daar is alles goed en volmaakt. Dat zei ik net al. Maar wat betekent dat? Kan hij ons nog zien, hoort hij onze vragen? Heeft hij er enig idee van dat wij zijn papa en mama zijn geweest? En dat we hem zo ontiegelijk missen hier, op de wereld. Herinnert hij zich nog hoe fijn het was bij ons, en dat er met hart en ziel van hem gehouden werd toen hij in ons midden was? Ik weet het niet… Meestal troost ik mezelf met mijn eigen fantasie over hoe Floris het nu heeft.
Ik denk dat Floris ons ziet. Dat hij met ons mee lacht als we een mooie herinnering aan hem ophalen. Dat hij ons troost als we verdrietig zijn, en dat hij het dus is die ons soms zomaar, zonder duidelijke reden, ineens beter laat voelen. Ik mag graag denken dat Floris in het weer zit. Dat hij van zich laat horen als de wind hard waait, en het waaiertje dat op zijn grafje staat loeihard ronddraait. Dat de zon die door de wolken heen breekt zijn grote lach is, net zoals toen hij nog bij ons was. Ik mag graag denken dat hij ons ziet als we voorzichtig weer dingen op gaan pakken. Dat hij met mijn man meeging toen hij voor het eerst weer ging werken. Dat hij er bij was toen ik voor het eerst weer, met het lood in mijn schoenen, naar Pilates ging na zijn sterven.
Ik mag graag denken… maar ik weet het niet. En dat maakt me als moeder soms gek van onzekerheid. Het gaat hier om mijn kind. Onze kleine jongen, die helemaal niet zonder zijn papa en mama kán. Wie geeft hem nu te drinken? Wie verschoont zijn luier en wie legt hem in bed? Maar ook; groeit hij groter in de Hemel? Heeft hij daar geleerd hoe je moet kruipen, kan hij inmiddels ook al staan? En als wij later zullen sterven, ontmoeten we hem dan zoals hij nu zou zijn, of is hij dan weer onze lieve, kleine baby van 5 maanden oud?

Ik dwaal een beetje af, dat komt doordat deze vragen zo groot zijn in mijn hoofd. Doordat ze allemaal over elkaar heen vallen en vechten om vooraan te komen. Omdat ze een antwoord verlangen, maar dat antwoord is er niet.
Nu weer terug naar onze God. Die nu, nadat Floris is gestorven, heel dichtbij ons is. Ook al probeer ik dat meestal te ontkennen. God heeft de liefste mensen op ons pad gestuurd. Heeft er voor gezorgd dat we gedragen werden, in de eerste dagen na Floris’ overlijden, maar ook nu nog. Er gebeuren wonderlijke dingen in ons leven, die ik alleen maar kan en wil verklaren als een teken van Gods Liefde.

Op de zondag dat Floris stierf, precies op het tijdstip dat hij zijn laatste adem uitblies, tekende een klein meisje van 5 jaar een tekening. Haar vader vroeg haar wat ze had getekend. Het was een huis met handen uit het dak. Daarboven waren de wolken, waaruit ook twee handen staken. Daarnaast een heleboel hartjes.

Er is iemand doodgegaan. En die gaat nu naar de Hemel. Dat zijn de handjes uit het dak. God houdt hem vast, en haalt hem binnen in de Hemel. Hij is daar veilig. Het is daar goed. En die hartjes? Die zijn voor de mensen die achter blijven. Die van hem gehouden hebben en die hem nu heel erg moeten missen. 

Haar vader vertelde het ons een paar weken nadat Floris was gestorven. Hij stuurde via Whats App een foto door van de tekening van zijn dochter. We hebben hem een plekje in ons huis gegeven. Als herinnering aan wat God ons heeft willen zeggen: Floris is bij Mij, Ik zal vanaf nu voor hem zorgen.

Een paar maanden later gingen mijn man en ik op vakantie. De vakantie die wij al geboekt hadden toen Floris nog gewoon bij ons was. Die bedoeld was voor ons drietjes, als welkome pauze in ons hectische bestaan als jong gezin. Op die vakantie voelden we ons misplaatst. Niet waar we thuis hoorden. Want alle mensen om ons heen waren gelukkig en blij. Het was mooi weer, het hotel was prachtig en het eten lekker. Wat had men ook te klagen? Als we andere Nederlanders tegen kwamen zeiden ze vrolijk tegen ons: Genieten he! Heerlijk! Ons antwoord lieten we maar een beetje in het midden: prachtig weer inderdaad! Na een dag of vijf hadden wij het eigenlijk al wel gezien, we wilden naar huis. Naar de veilige omgeving van ons eigen thuis, waar we niet naar buiten hoefden als we dat niet wilden en niet geacht werden om te “genieten”. Maar op dag vijf stond ook een boottocht gepland. Dus stapten we aan boord van een Griekse veerboot en lieten we ons langs verschillende baaien varen. Aan boord een ander Nederlands stel uit ons hotel. Tijdens de lunch vertelde de vrouw vol trots over haar kinderen en kleinkinderen. Wij voelden in ons hoofd de storm steeds sterker worden. Ik had wel willen schreeuwen dat ze ons totaal verkeerd had geplaatst. Wij waren geen jong stelletje dat gezellig samen op vakantie was. Wij hoorden met zijn drieën te zijn! Maar ik hield mijn mond, want wat moest ze er eigenlijk mee? Tot ze vol trots over haar zoon begon te vertellen…

Vroeger speelde hij altijd al met steentjes. Ik wist niet wat hij er aan vond hoor! Maar hij vond ze reuze interessant… En nu? Nu is hij geoloog geworden!

Haar hart stroomde over van trots, zoals ze het vertelde. En het mijne brak. Dit zou ik dus nooit weten van Floris. Tranen met tuiten heb ik gehuild, aan een tafeltje aan de Griekse kust. Mijn man vertelde tussen mijn snikken door wat er aan de hand was. Het Nederlandse stel reageerde vol liefde. Ze vroegen naar de naam van onze zoon, hoe oud hij was geworden en hoe het nu met ons ging. In de dagen die volgden kwamen we ze steeds opnieuw weer tegen. Niet alleen in het hotel, maar ook als we beiden puur toevallig een uitstapje naar dezelfde stad maakten. En iedere keer noemden ze even zijn naam. Vroegen ze: en kunnen jullie een beetje genieten? En nu wisten we hoe ze het bedoelden. Ondanks het grote verdriet.
Op hun laatste vakantie dag dronken we samen wat in de bar van het hotel. Bijna achteloos noemde ik dat we een lotgenotengroep hadden opgestart binnen onze kerk.
Jullie kerk? vroeg de man voorzichtig. Naar wat voor kerk gaan jullie dan? Hij bleek een voorganger te zijn uit de Pinkstergemeente. Samen hebben we gebeden, op een terras van een hotel op Rhodos. Zomaar, met zijn vieren de handen in elkaar geslagen en gebeden. Nog nooit ben ik op vakantie iemand tegen gekomen die ook Christen was. Echt nog nooit! En juist nu, nu we het zo hard nodig hebben, waren zij daar. Een voorganger en zijn vrouw, in ons hotel op Rhodos. Dat kan geen toeval zijn…

Zo gebeuren er om ons heen een hoop dingen die ons helpen dragen. Ik weet dat ze van God afkomstig zijn, en dus komt er in mijn hoofd stiekem weer een beetje ruimte voor Zijn goedheid.  De ene dag is het meer dan de andere dag. De ene dag begin ik aan tafel te bidden met lieve Here God… en denk ik vervolgens verschrikt; wat zeg ik nou?! Niet doen Eef. De andere dag bid ik voorzichtig of God ons nabij wil zijn. Of Hij ons wil helpen en wil sturen in de richting die Hij voor ons heeft bedacht. Omdat ik zelf niet meer weet wat goed is en wat niet. Omdat het chaos is in mijn hoofd en mijn hart. En ik weet dat ik dan bij Hem moet zijn.
Met kleine stapjes durf ik Hem steeds weer wat meer toe te laten in ons leven. En ik ben blij en dankbaar dat ik daar de ruimte voor krijg. Van God, maar ook van de mensen om ons heen. Onze kerk leert ons niet om zonder vragen door te gaan. Onze kerk zegt ons niet dat we onze gevoelens van boosheid en woede weg moeten stoppen. Ze zeggen ons niet dat wat er met onze lieve Floris is gebeurd waarschijnlijk de wil van God is geweest. Nee, integendeel. Onze kerk, onze mede Christenen, onze dominee, ze staan naast ons in deze strijd. Ze snappen onze vragen en onze onmacht. Ze schreeuwen net zo hard met ons mee.