Weer aan het werk

Na de begrafenis zaten mijn man en ik samen thuis. In een huis dat stil was, oorverdovend stil was. Wijs als we zijn bedachten we samen dat het beter was om bezig te blijven. Om op tijd op te staan, te ontbijten, lunchen en avond te eten op een vaste tijd, om dingen te ondernemen en op pad te gaan.
De eerste dag na Floris’ begrafenis vonden wij onszelf dus terug in onze woonkamer, tussen een uit elkaar geschroefde bank, de lamp midden in de kamer en het vloerkleed opgerold tegen de muur; de indeling moest anders. We hadden ’s ochtends de box weggehaald omdat de aanblik daarvan ons allebei te veel pijn deed. Maar ja, dan kom je dus iedere keer je woonkamer binnen en zie je dat de box er niet meer staat. Dus bedachten we dat de hele kamer maar anders moest worden, want dan voelde het een beetje anders. Al verbouwend brak het zweet ons aan alle kanten uit. Waar waren we toch aan begonnen?!
In de dagen en weken die volgden probeerden we steeds wat dingen te doen. Er kwam een hele hoop bezoek, en daarnaast gingen we regelmatig even wandelen of waren we bezig met fotoalbums maken en het monumentje ontwerpen. Zo sleepten we onszelf door de dagen.

Na een week of drie zei mijn man vertwijfeld: wanneer moet ik eigenlijk weer gaan werken? Tsja. Wanneer moet dat weer? Ik had geen idee. De vraag of we weer aan het werk gingen geeft goed weer hoe het vanaf nu bij zoveel dingen zou gaan waar we over twijfelden: niemand had echt een advies. Je moet je gevoel volgen zei men vaak. Maar ja, ons gevoel was één grote chaos, dus daar hadden we weinig aan.

Mijn man heeft uiteindelijk gewoon een datum geprikt. Dan ga ik weer naar het werk, en hoe het gaat dat zie ik dan wel weer. Het gaf hem rust, want tot die tijd hoefde hij er niet meer aan te denken. In de week voordat hij weer voor het eerst zou gaan stuurde hij een uitgebreide mail naar al zijn collega’s. In de mail stond het verhaal van Floris, maar ook hoe het ons tot nu toe was vergaan én wat hij wenste van zijn collega’s te krijgen. Dat bleek een schot in de roos, zijn collega’s reageerden dat ze blij waren dat hij het eerste contact gezocht had. Ze vonden het spannend dat mijn man weer terug kwam, en wisten door zijn mailtje iets beter wat ze moesten zeggen. Er stroomden tientallen lieve berichten binnen. Over hoe dapper ze ons vonden en hoe sterk we waren, maar ook soms met persoonlijke verhalen die nu gedeeld konden worden.
De eerste dag werken was moeilijk, maar zijn collega’s sleepten hem er doorheen. De teamleider plande om de twee weken een gesprek in om de stand van zaken te bespreken. Daarin kon mijn man aangeven of hij op dezelfde voet verder wilde gaan, of hij minder wilde gaan werken of juist meer.
Nu moet je weten dat mijn man in de techniek zit. Hij heeft een echt mannenberoep, en onze verwachting was dat de heren het misschien lastig zouden vinden om over gevoel te praten. Ik zou bijna willen zeggen shame on us! Bij al zijn collega’s voelde hij de ruimte om te delen wat er in hem speelde en hoe het met hem ging. Het is zelfs zo dat zijn collega’s aan hem zien of hij goed in zijn vel zit of niet.

Volgens mij gaat het even niet zo lekker vandaag. Zullen we even een bakkie thee drinken samen?

Terug op de werkvloer komt mijn man in een warm bad. Het is het eerste kleine lichtpuntje in ons proces. Ik schrijf klein omdat het verdriet zo groot is, maar eigenlijk voelt het als een groots gebaar van zijn collega’s.
Manlief heeft inmiddels om de 3 a 4 weken een gesprek met de teamleider. Hij bouwt zijn aanwezigheid en zijn taken op het werk langzaam maar zeker uit. Telkens heeft hij weer een succeservaring: twee halve dagen werken lukt, drie halve dagen ook, nu voel ik me ineens niet meer zo moe als ik thuis kom van het werk, meedenken bij een acuut probleem gaat me goed af, ik kan me concentreren enz.

Voor mij is het een heel ander verhaal. In de eerste plaats doordat ik een heel ander beroep heb. Ik werk namelijk in de jeugdzorg, op een leefgroep voor jongeren die om wat voor reden dan ook niet thuis kunnen wonen. Soms is de reden dat ouders domweg zeggen: ik heb geen zin meer in jou. Ga jij maar ergens anders wonen! En dat kan ik op dit moment nou net niet hebben. Dat er ouders zijn die hun kinderen zomaar wegdoen, terwijl wij ons kindje zó graag bij ons hadden willen houden.
In de eerste weken na de begrafenis ga ik een aantal keer naar het werk. Vooral om er te zijn en mijn collega’s te zien. Want ze zijn werkelijk waar allemaal op de begrafenis geweest. Als ik op de groep ben en per ongeluk ook een aantal jongeren tegen het lijf loop reageren zij beter dan sommige volwassenen. Het staat me nog goed voor de geest hoe een jongen van de groep mij op een dag vraagt hoe het met me gaat, en als ik na mijn antwoord vraag “en hoe is het met jou?” kijkt hij me verward aan.

Ja wel goed, maar ik vind het een beetje vreemd om het nu over mij te gaan hebben. Jij bent nu belangrijker.

Soms zeggen de jongeren alleen maar ik weet niet wat ik moet zeggen. En dat is al genoeg. Ze spreken uit dat ze onzeker zijn over hoe ze nu met mij om moeten gaan, ze vertellen mij dat ze aan me denken en dat ze wel iets wíllen zeggen, maar geen idee hebben wat.
De jongeren doen dat, terwijl sommige collega’s geen woord kunnen uitbrengen. Terwijl sommige collega’s gewoon snel weer de deur uit rennen als ze op kantoor komen en mij zien staan.
Met onze directeur heb ik na twee weken een gesprek. Hoe moeten we dit in hemelsnaam aanpakken? We weten het allebei niet, en besluiten dat het allemaal volgens mijn wensen moet gaan. De ARBO arts stellen we nog even uit, eerst maar eens tot rust komen. In het begin dacht ik bij het woord ‘werken’ bijna automatisch nee. Dat ging ik dus echt voorlopig niet doen! Maar thuis zit ik ook maar te zitten, en ik merk dat ik niet verder kom terwijl mijn man stappen maakt. Na een week of zes vraag ik opnieuw een gesprek aan. Ik vertel hoe ik er bij zit en zeg dat ik voorzichtig een half dagje wil gaan proberen te werken. Maar absoluut niet op de groep! Daar is alle begrip voor en ik kan mijn taken op kantoor oppakken die ik naast het groepswerk ook deed. De eerste werkdag heb ik twee regels op papier gezet, verder ben ik niet gekomen. Telkens liep er een andere collega het kantoor binnen en belandde ik in een gesprek over hoe het nu met me gaat. Ik voelde me gezien, gehoord en kreeg de ruimte voor mijn verdriet. En daarnaast putte het me ook uit. Daarom heb ik net als mijn man een e-mail geschreven en deze naar alle collega’s gestuurd. Daarin vertelde ik in één keer hoe het met me ging en vroeg ik ook om het niet steeds aan me te vragen. Ook nu weer kregen we een hoop lieve reacties, en hielp het mijn collega’s om beter met mij om te gaan.
Ondertussen moest ik bij de ARBO arts komen. Ik zou graag willen schrijven dat alle vooroordelen over ARBO artsen niet waar zijn, maar helaas. De eerste 5 minuten van mijn bezoek zat ik te luisteren naar een uiteenzetting over de feiten rondom de ziektewet en dat het zijn taak was om mij weer zo snel mogelijk aan het werk te krijgen. Gelukkig draaide dat laatste tijdens het gesprek wel wat bij en kwamen we er op uit dat ik het proces verder met mijn directeur moest plannen en dat ik over een aantal weken een consulent op bezoek kreeg.

Op het werk merkte ik dat het niet goed ging. Steeds vaker liet ik het af weten om te gaan en werd mijn gevoel ten opzichte van ‘werken’ weer net zo negatief als in het begin. Als ik naar het werk belde om te zeggen dat ik niet kwam, was er niemand die mij later even opbelde om te vragen hoe het ging en of ik de dag er na misschien wel zou komen. We hadden ook afgesproken dat ik het op mijn manier mocht doen, dus was de gedachte dat er geen druk achter moest staan. Maar ik voelde me vergeten. Het maakt ze toch niet uit of ik kom, dus waarom zou ik nog gaan? En dus belde ik niet eens meer, maar kwam ik gewoon niet opdagen. En de dag er na ook niet, en de dag erna ook niet…
Thuis zat ik verdrietig op de bank en kwam ik nergens aan toe. Mijn man werkte wel drie halve dagen in de week en maakte zich zorgen. Als hij weg was, was hij ongerust om mij. Zou het wel goed gaan? Zou ze zich wel redden? Een enkele keer belde ik hem huilend op als het écht niet meer ging. Zo sukkelden we een beetje door tot hij op een gegeven moment zei: dit kan echt niet meer. We gaan op je werk praten! 
Dat gesprek dat kon ik wel alleen, en dus maakte ik een afspraak met de directeur. Ik legde mijn moeite op tafel en ze zei meteen dat de begeleiding dan anders moest. Wel op mijn manier, maar met een beetje meer structuur. Ze kwam met ideeën over hoe we het dan wél goed konden doen en maakte wat extra taken voor mij vrij zodat ik meer om handen had. Ze begreep precies wat ik wilde, en nog belangrijker: wat ik nodig had. Als ik een keer zou afbellen, dan zou ze me de dag er na bellen om te vragen hoe het gaat en dan zouden we afspreken wanneer ik dan wel weer zou komen.
Het allerbelangrijkste wat ik tegenwoordig bij haar vind is ruimte om mijn verhaal te vertellen. Om bij haar op kantoor te zitten en open en eerlijk te zeggen wat er speelt. En wat het ook is, positief of negatief, het mag er bij haar zijn.
Inmiddels ben ik voorzichtig aan het opbouwen. Werk ik twee halve dagen en denk ik hard na over een derde dag. Ook heb ik samen met de directeur een knoop doorgehakt: op de groep kom ik niet meer terug.
Ik vind het moeilijk om mijn mentorkinderen achter te laten en over te dragen aan mijn collega’s, maar dit is hoe het voor mij moet zijn. Werken op de groep, dat kan ik gewoonweg niet meer. Laat mij maar op kantoor zitten en achter de schermen mee denken aan hun proces. Laat mij maar nieuwe zorgtakken ontwikkelen en sparren over ‘onze’ visie. Laat mij maar stilletjes op kantoor zitten en laat me dan maar voorzichtig weer ontdekken waar mijn passie ligt.